De jacht op specerijen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie

Onder redactie van Dr. Gert Schuitemaker Gert Schuitemaker

Onder redactie van Dr. Gert Schuitemaker

2 min

Per 48 uur kun je als gast 5 artikelen gratis lezen; dit is gratis artikel 1 van 5.

Neem een digitaal abonnement  of Inloggen als abonnee
Artikel uit Fit Met Voeding nr.8, 2015 [3 pagina's]   De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) baande de weg voor de populariteit van kruidkoek, speculaas en andere lekkernijen waarin specerijen onmisbaar zijn. Terugblik op een roerige periode. Zes apen, twaalf papegaaien, twee Ambonese kaketoes, een krokodil, een Bengaals hertje en een jonge eland. Daarmee keerde een VOC-schip in 1682 terug in Amsterdam. Het illustreert dat de VOC een ruime handelsopvatting had. Toch waren deze exotische dieren slechts ‘bijvangst’. Peper was de voornaamste reden voor de lange tochten naar de Oost.1 Peper was al in de Middeleeuwen een van de belangrijkste specerijen, met een uitgebreid gebruik: het werd zowel aangewend door koks als door geneesheren. Peper werd bijvoorbeeld geacht effectief te zijn tegen depressies, maagpijn en koorts. In sommige perioden werd het ingezet als alternatief betaalmiddel. In de eerste helft van de zeventiende eeuw vertegenwoordigden zwarte en witte peper meer dan de helft van de lading van de VOC-schepen. Na 1650 liep dat aandeel terug tot 30%. Al met al had de VOC in de ‘Gouden Eeuw’ ongeveer de helft van de Europese peperhandel in handen. Ook de invoer van de vier zogenaamde ‘fijne’ specerijen was zeer profijtelijk: kruidnagel, nootmuskaat, foelie en kaneel. Na peper werd de tweede plaats op de ladinglijsten (‘cargalijsten’) overigens ingenomen door salpeter, een grondstof voor buskruit. Peperduur

Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief en blijft op de hoogte van het laatste orthomoleculaire nieuws.